Afbeelding
08 aug 18
08 aug 18
Questions to Commission and Council on international police and justice cooperation and LGBTI rights

Today Sophie in 't Veld submitted the following questions to the Commission and Council, following the news that a 16 year old Russian boy was found guilty of "propaganda of homosexuality among minors", and fined 50,000 rubles for publishing pictures in a Russian social network. On December 3rd, 2018, we received the following answer in Dutch which can be found underneath.

 

Question for written answer
to the Commission / Council
Rule 130
Sophia in 't Veld (ALDE), Daniele Viotti (S&D)
Subject: International police and justice cooperation and LGBTI rights


International police and justice cooperation in the fight against serious crime and terrorism between the EU and third countries is increasing. While this can be valuable in countering real crimes, the exchange of information and personal information might also (indirectly and/or unintentionally) help the third country authorities to prosecute innocent people. Some of these third countries have different ‘crimes’ in their penal codes than Member States. For example, in Russia, “propaganda for nontraditional sexual relations” to minors constitutes a crime.


- Does the Commission / Council agree that in police and justice cooperation with Russia, and in particular the exchange of information and personal information, information can never be shared with the Russian authorities that would put at risk LGBTI people, human rights defenders and NGOs?
- How will the Commission / Council ensure that no information is ever shared in the framework of international police and justice cooperation with the Russian authorities that would endanger these groups?

 

Photo: EPA / Igor Kharitonov

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Vraag met verzoek om schriftelijk antwoord E-004244/2018

aan de Raad

Artikel 130 van het Reglement

Sophia in 't Veld (ALDE) en Daniele Viotti (S&D)

Betreft:        Internationale politiële en justitiële samenwerking en LGBTI-rechten

In het kader van de strijd tegen ernstige criminaliteit en terrorisme werken de politie en justitie van de EU en derde landen steeds meer samen. Dit kan uiteraard nuttig zijn om reële misdaad tegen te gaan, maar de uitwisseling van informatie en persoonlijke gegevens kan er (onrechtstreeks en/of onbedoeld) ook toe bijdragen dat de autoriteiten van derde landen onschuldige mensen vervolgen. In het strafwetboek van een aantal van deze derde landen staan 'misdrijven' die in de lidstaten niet als zodanig worden beschouwd. In Rusland bijvoorbeeld geldt 'propaganda voor niet‑traditionele seksuele relaties' bij minderjarigen als een misdrijf.

Is de Raad het ermee eens dat informatie die LGBTI's, mensenrechtenactivisten en ngo's zou kunnen schaden niet mag worden gedeeld met de Russische autoriteiten in het kader van de politiële en justitiële samenwerking tussen de EU en Rusland en met name de uitwisseling van informatie en persoonlijke gegevens?

Hoe wil de Raad ervoor zorgen dat informatie die deze groepen in gevaar zou kunnen brengen, in geen geval met de Russische autoriteiten wordt gedeeld?

 

Antwoord:

Er zij aan herinnerd dat de Raad in 2013 EU-richtsnoeren heeft aangenomen voor de bevordering en de bescherming van het genot van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI).

De voorschriften voor doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties zijn vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad[1].

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat doorgifte aan een derde land alleen plaatsvindt indien dit noodzakelijk is voor de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Een dergelijke doorgifte kan plaatsvinden in gevallen waarin de Commissie heeft besloten dat het derde land in kwestie een adequaat beschermingsniveau waarborgt op het gebied van politie en/of strafrecht en justitie, of in gevallen waarin passende waarborgen worden geboden of waarin, onder strikte voorwaarden, afwijkingen voor specifieke situaties van toepassing zijn. Persoonsgegevens kunnen ook worden doorgegeven indien een internationale overeenkomst met passende waarborgen is gesloten.

De Commissie kan besluiten, met rechtskracht voor de gehele Unie, dat bepaalde derde landen een passend niveau van gegevensbescherming bieden op de gebieden die onder Richtlijn (EU) 2016/680 vallen. Overeenkomstig de fundamentele waarden waarop de Unie is gegrondvest, in het bijzonder de bescherming van de mensenrechten, dient de Commissie bij haar beoordeling van een derde land in aanmerking te nemen in welke mate de rechtsstaat, de toegang tot de rechter en de internationale mensenrechtennormen en -regels in dat derde land worden geëerbiedigd, en dient zij rekening te houden met het algemene en sectorale recht, waaronder wetgeving betreffende openbare veiligheid, defensie en nationale veiligheid, openbare orde en strafrecht, van het land[2]. De Commissie heeft tot op heden nog geen dergelijk besluit met betrekking tot Rusland of enig ander derde land aangenomen op de gebieden die onder Richtlijn (EU) 2016/680 vallen.

Het is de Commissie die, als hoedster van de Verdragen, verantwoordelijk is voor het toezicht op de toepassing van deze richtlijn door de lidstaten.

 

[1]     PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.

[2]     Zie de overwegingen (64), (66) en (67) van Richtlijn (EU) 2016/680.

 

print